Affectieschade: wat is de stand van zaken?
Wat is affectieschade?
Op 1 januari 2019 is de Wet vergoeding affectieschade in werking getreden. Een vaste kring van naasten kreeg hiermee de mogelijkheid om aanspraak te maken op een financiële vergoeding voor het verdriet dat zij ondervinden nadat een naaste overlijdt of ernstig gewond raakt door toedoen van een ander. Er werden vaste ‘symbolische’ bedragen vastgesteld (tussen € 12.500,00 en € 20.000,00) en er werd een vaste kring van gerechtigden bepaald. De kring van gerechtigden werden partners, ouders en kinderen en anderen die in gezinsverband in een zorgrelatie tot elkaar staan. Daarnaast werd er een hardheidsclausule opgenomen: je kon ook als naaste worden aangemerkt als je een zodanige nauwe persoonlijke relatie had met het slachtoffer, dat dit uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeide. Wij schreven hier al eerder over, zie bijvoorbeeld https://wijsletselschade.nl/letselschade/affectieschade/.
Wat is er sindsdien gebeurd met de Wet vergoeding affectieschade?
Na 5 jaar heeft er een evaluatie plaatsgevonden van deze wet. In opdracht van het WODC is er door de universiteit van Utrecht en Amsterdam onderzoek verricht naar de werking van de wet.
De belangrijkste conclusies uit dit onderzoek:
‘Over het algemeen wordt de werking van de wet als positief ervaren. Zij biedt erkenning aan naasten zonder te veel discussie. Dit heeft met name te maken doordat er een vaste kring van gerechtigden is vastgesteld en er vaste bedragen worden aanhouden.’
Toen de wet in werking trad verwachtte men mogelijk discussiepunten over de volgende punten:
- het criterium ernstig en blijvend letsel,
- de wettelijke kring van gerechtigden,
- de hardheidsclausule,
- de beperkte werking van de redelijkheid en billijkheid,
- de standaardbedragen,
- de verweermogelijkheden van de aansprakelijke partij,
- de samenloop tussen affectieschade en shockschade en
- de wijze van aanbieden van de vergoeding.
Deze discussiepunten blijken zich nu een aantal jaar later, behalve op een tweetal punten, niet of nauwelijks te hebben voorgedaan. De tweetal punten waar in de praktijk regelmatig discussie over is, zullen hieronder worden besproken.
Wanneer is er sprake van ernstig en blijvend letsel bij affectieschade?
Over het algemeen wordt aangenomen dat er alleen recht bestaat op vergoeding van affectieschade als er sprake is van een percentage blijvende invaliditeit van minimaal 70 %.
Wat zegt de memorie van toelichting?
In de memorie van toelichting uit 2018 is hierover opgenomen:
‘De term ernstig en blijvend letsel behoeft in concrete gevallen uiteraard uitleg en zal mogelijk nadere duiding in de rechtspraktijk behoeven. Ernstig en blijvend letsel zal moeten worden aangetoond door degene die een beroep op vergoeding van affectieschade doet, hetgeen tevens meebrengt dat het in de praktijk zal gaan om medisch objectiveerbare letsels. Niet het leed is doorslaggevend, maar het letsel van de gekwetste. In veel gevallen zal onomstreden zijn of al dan niet aan dit vereiste voldaan is, zodat alleen bij grensgevallen dit vereiste tot geschillen aanleiding kan geven. In grensgevallen zal op basis van beschikbare medische gegevens of op basis van een nader medische deskundigenrapportage het ernstige en blijvende letsel moeten worden aangetoond. Ook voor de afwikkeling van de schade van het slachtoffer zelf zijn dergelijke gegevens en rapportages vaak noodzakelijk, zodat in veel gevallen reeds op basis daarvan het bewijs van het ernstige en blijvende letsel geleverd kan worden.
Aangenomen kan worden dat bij een blijvende functiestoornis van 70% of meer in de praktijk sprake zal zijn van ernstig en blijvend letsel als in dit wetsvoorstel bedoeld. (..)
Dat wil niet zeggen dat het genoemde percentage in alle gevallen doorslaggevend is. De ratio van het voorstel is gelegen in de wenselijkheid van juridische en maatschappelijke erkenning van het feit dat ernstig en blijvend letsel niet alleen een zeer ingrijpend verlies voor de verwonde zelf betekent, maar, gelet op de nauwe persoonlijke betrekkingen die zijn directe naasten met hem onderhouden, ook voor die naasten, aan wie door de toekenning van een vergoeding van affectieschade tevens genoegdoening wordt verschaft. Naast de functiestoornis is derhalve ook de invloed die het letsel heeft op het leven van de gekwetste en de naaste een factor van belang. Ook voor de naaste zal het letsel nopen tot een ingrijpende ommezwaai in het leven. Er zullen zich gevallen kunnen voordoen waarbij de lichamelijke (of uiterlijk waarneembare) component van het letsel niet zo ernstig is als hierboven aangegeven, maar waarbij de combinatie daarvan met andere componenten van het letsel een zodanig verlies of ernstige verstoring van de mogelijkheid van wezenlijk persoonlijk contact tussen het slachtoffer en diens naasten meebrengt, dat van ernstig en blijvend letsel sprake kan zijn. Te denken valt aan ernstige karakter- en gedragsveranderingen, het algeheel verlies van het vermogen tot spreken, ernstige afasie, ernstige aantastingen van de geheugenfunctie en ernstig of algeheel functieverlies van zintuigen. Letsels waaraan in dit verband tevens kan worden gedacht, betreffen letsels die leiden tot het verlies of een ernstige verstoring van de mogelijkheid om lichamelijk contact te hebben, zoals derdegraads brandwonden over een groot deel van het lichaamsoppervlak of ernstige verlittekening van grote delen van in dit verband belangrijke delen van het lichaam, zoals het gelaat en de hals. Ten slotte zijn gevallen denkbaar waarin het slachtoffer door het gebeuren volledig of nagenoeg volledig afhankelijk wordt van zodanig intensieve hulp en zorg dat de mogelijkheid van het onderhouden van een privéleven ernstig wordt verstoord. Het gaat hier om gevallen waarin het letsel niet alleen voor het slachtoffer zelf ernstige beperkingen in het dagelijks functioneren teweegbrengt, maar vanwege de nauwe persoonlijke band die zijn naasten met hem hebben, ook voor dezen. In de praktijk zal dit doorgaans gepaard gaan met een hoog tot zeer hoog percentage aan blijvend functioneel verlies bij het slachtoffer.(..)’
Moet het percentage invaliditeit boven de 70 procent zijn?
Alhoewel er dus situaties denkbaar zijn dat een percentage blijvende invaliditeit niet doorslaggevend is voor de vergoeding van affectieschade, werd in deze uitspraak van de Hoge Raad een toekenning van affectieschade door het Hof bij letsel met een percentage blijvende invaliditeit die lager lag dan 70 % wel gecasseerd (vernietigd) . Dit omdat het hof heeft geen vaststellingen had gedaan over de mate van de blijvende functiestoornis noch over de invloed van het letsel van het slachtoffer op het leven van eiser. De zaak werd terugverwezen naar het Hof Arnhem-Leeuwarden.
Voor de praktijk werd met deze uitspraak de toon gezet: wie vergoeding van affectieschade vordert zal als naaste voldoende aannemelijk moeten maken dat er sprake is van een functiestoornis van minimaal 70%, dan wel zal de naaste moeten aantonen dat van een blijvende ingrijpende ommezwaai in het leven van de direct gekwetste en de naaste sprake is.
Uit het onderzoek blijkt dat het niet mogelijk en wenselijk is het criterium ernstig en blijvend letsel op voorhand verder inhoudelijk af te bakenen. Hierbij benadrukken de onderzoekers wel dat ook bij minder dan 70 % er sprake kan zijn van ernstig en blijvend letsel. Dit is, zoals ook door de Hoge Raad is bepaald, afhankelijk van de omstandigheden van het geval waarbij het ook mogelijk is om ernstig en blijvend letsel vast te stellen zonder het bereiken van een medische eindsituatie. Wel leert de jurisprudentie dat de ‘drempel’ hiervoor hoog ligt.
De onderzoekers vragen nog speciale aandacht voor de positie van naasten bij ontucht met kinderen in het strafproces.
Wie heeft er recht op vergoeding van affectieschade?
Tot op de dag van vandaag hebben conform de wet alleen de volgende personen recht op vergoeding van affectieschade:
- Echtgenoten en geregistreerd partners van het slachtoffer.
- Samenwonende partners: De persoon die duurzaam in gezinsverband samenwoont met het slachtoffer.
- Kinderen: Minderjarige kinderen van het slachtoffer, maar ook meerderjarige kinderen.
- Ouders: De ouders van het slachtoffer.
- Personen met een vergelijkbare relatie: Dit betreft bijvoorbeeld stiefkinderen, pleegkinderen of personen die een vergelijkbare nauwe emotionele band hadden
Wie krijgt er nog meer recht op vergoeding van affectieschade in het nieuwe wetsvoorstel?
Het Wetsvoorstel regelt dat de volgende personen ook recht krijgen op vergoeding van affectieschade:
- broers en zussen
- personen die in een met broers en zussen vergelijkbare relatie staan. Voorwaarde is dat zij met de gekwetste of overledene ten tijde van de schadeveroorzakende gebeurtenis in duurzaam gezinsverband samenwonen of voor deze gebeurtenis in duurzaam gezinsverband hebben samengewoond.
- personen die voor de schadeveroorzakende gebeurtenis duurzaam in een zorgrelatie tot elkaar hebben gestaan. Dit betreft onder meer stief- en pleegouders en stief- en pleegkinderen, die niet langer met elkaar samenwonen tijdens de schadeveroorzakende gebeurtenis.
Is de nieuwe wet al aangenomen?
Nee, de nieuwe wet is nog niet aangenomen.
De regelingen, waaronder ook de vergoeding van affectieschade in het Caribisch Nederland en de verhoging van de vaste vergoedingsbedragen voor affectieschade, zijn op 24 november 2025 in consultatie gegaan. Dat betekent dat iedereen hierop nog mag reageren. De consultatie is op 23 februari 2026 gesloten. Onder andere De Letselschaderaad en de Raad van de rechtspraak hebben een reactie gestuurd. De belangrijkste input is om de kring van gerechtigden, met name op het gebied van de personen die voor de schadeveroorzakende gebeurtenis in duurzaam gezinsverband samen woonden, beter te concretiseren. Dat lijkt een goed advies omdat anders de discussie in de praktijk verder zal toenemen en dit tot een toenemende gang naar de rechter zal leiden.
Nu de consultatieperiode afgerond is, worden de voorstellen eerst voor advies naar de Raad van State gestuurd. Daarna volgt voor het wetsvoorstel nog de Tweede Kamer en de Eerste Kamer. Voorlopig treedt de nieuwe wet dan ook nog niet in werking.
Wat betekent dat op dit moment voor bijvoorbeeld broers en zussen die affectieschade willen vorderen?
Dat betekent dat op dit moment o.a. broers en zussen nog een beroep zullen moeten doen op de hardheidsclausule en dus nog niet ‘automatisch’ in aanmerking komen voor vergoeding van affectieschade.
In zijn meest recente arrest heeft de Hoge Raad een uitspraak van het Hof Amsterdam, waarin affectieschade werd toegekend aan een zus van het slachtoffer, bekrachtigd. Aanleiding was een zaak waarin de specifieke omstandigheden van de benadeelde partij zo uitzonderlijk waren dat het Hof een beroep op de hardheidsclausule honoreerde. Volgens de Hoge Raad getuigde dat oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting en was het bovendien toereikend gemotiveerd.
Het Hof Amsterdam had eerder overwogen dat de specifieke omstandigheden van de benadeelde partij dusdanig uitzonderlijk waren dat zij een beroep op de hardheidsclausule van artikel 6:108 lid 4 onder g BW rechtvaardigden, zoals de wetgever die heeft bedoeld. Daarbij nam het Hof overigens mede in aanmerking dat de raadsman van de verdachte het door de advocaat van de benadeelde partij geschetste karakter van de relatie slechts in zeer beperkte mate had betwist.
Zie hiervoor o.a. ECLI:NL:GHAMS:2024:736 en ECLI:NL:HR:2026:33
Met andere woorden: als er sprake is van een uitzonderlijk nauwe band tussen het slachtoffer en broer of zus kan een beroep worden gedaan op de hardheidsclausule. Wel zal deze band voldoende moeten worden gemotiveerd door (de advocaat van) broer en/of zus van het slachtoffer of andere persoon met een nauwe persoonlijk relatie tot het slachtoffer (de huidige categorie 1g)
Concluderend zal voorlopig de ‘oude’ wet nog gelden en kunnen o.a. broers en zussen niet zomaar een vergoeding voor affectieschade krijgen. Voordat de nieuwe wet in werking treedt, zullen nog de nodige stappen moeten worden gezet. De verwachting is dat de wet niet voor het einde van de zomer in werking zal treden.