Ongeluk

23 mrt Ongeluk

Ik hoor nog altijd het oorverdovende geluid van metaal op metaal. Terwijl ik relaxed in mijn auto voor het stoplicht stond te wachten, klapte er iemand achterop mij. Het was een mevrouw die met haar mobiel bezig was, ze wilde een berichtje sturen aan haar zoon.

Ik had de klap niet zien aankomen en mijn auto schoot naar voren. Met een noodstop kon ik nog net voorkomen dat ik op de auto voor mij botste. Eerst dacht ik dat het allemaal wel meeviel: ik had pijn in mijn nek en hoofd, maar van de ambulancebroeder hoefde ik niet naar het ziekenhuis. Wel voorspelde hij dat ik flinke pijn in mijn nek zou krijgen. Ik moest paracetamol slikken en bij twijfel contact opnemen met de huisarts. Ik stond nog in de gewone werk- en actiemodus: het ongeluk was vooral een onhandig dingetje tussendoor. Ik zou een paar dagen thuis blijven en dan ging ik weer aan het werk. Daar was ik met leuke dingen bezig die ik graag weer wilde oppakken.

Het liep anders.

Mijn gezondheid ging achteruit in plaats van vooruit, de dag na het ongeluk was ik misselijk, doodmoe, warrig en vergeetachtig, ik had vreselijke hoofd- en nekpijn en mijn oren suisden onophoudelijk. De huisarts constateerde een whiplash, voor de zekerheid werden röntgenfoto’s gemaakt. Daarna moest ik rust houden en de tijd nemen voor mijn herstel.
Ineens zat ik thuis als een zombie op de bank. Wat was er in hemelsnaam met me gebeurd? Ik was toch een actieve, vitale vrouw, die kon goed schakelen en het leuk vond om met van alles bezig te zijn? Ik herkende mezelf niet meer.
Terwijl ik als een kip zonder kop door het huis liep, belde de verzekering. De tegenpartij had de aansprakelijkheid erkend, dus de rechtbijstandverzekering zou binnenkort contact met me opnemen. Ik had recht op vergoeding van de schade die voortvloeide uit het ongeluk. Dus of ik alle kosten wilde noteren die ik maakte. Ik kon ook alvast een voorschot krijgen. Het letselschadetraject was begonnen.

 

© Christine Kliphuis 2018